Nieuws Stichting Publicaties Hoogwoud Klassefoto's
 

Stichting Hoochhoutwout: Publicaties

Publicatie 1996: Hoe het vroeger was: De ambachtsheren en het Raadhuis van Hoogwoud

De ambachtsheren en het Raadhuis van Hoogwoud: deel 2

door Erik Mooij, Martien Hoogland en Louis Groen


met de Westfriezen. Uiteindelijk gaven zij zich over. In 1289 ondertekenden de vertegenwoordigers van het Houtwouder ambacht (Hoogwoud, Sijbekarspel, etc.) een akte van onderwerping in het kasteel Torenburg vlakbij Alkmaar.

De Heren en de Belasting

Om de Westfriezen definitief onder controle te houden liet Floris vijf kastelen bouwen. Deze verrezen o.a. bij Medemblik en Warmenhuizen. Verder stelde hij in Medemblik een baljuw aan die invloed kreeg in Hoogwoud en Aartswoud. Verder werden in de dorpen schouten aangesteld, die de leiding hadden over het dorpsbestuur, dat bestond uit schepenen.

Baljuw en schout gingen op de eerste plaats belasting heffen. De oorlog had handen vol geld gekost en Floris wilde dit natuurlijk terugzien. Daarom werd de opbrengst van het land belast met het 'korentiende' en het 'vlastiende'. De boeren moesten voortaan een tiende deel van hun graan en vlas afdragen aan de graaf. Verder moesten de kerken in Westfriesland de door hun ontvangen giften aan de graaf afdragen en niet meer aan de bisschop van Utrecht of de abt van Egmond. Baljuw en schout gingen ook recht spreken over de Westfriezen. Moord en diefstal werden bestraft met allerlei boetes, die natuurlijk gedeeltelijk in de schatkist van de graaf belandden. De baljuw berechtte de zware vergrijpen, terwijl lichte vergrijpen voor de schout en de schepenen kwamen. Het was dus gedaan met de gewoonte van de dorpsschepenen om zelf recht te spreken. Rechtspraak gebeurde trouwens in een straal van een kleine 20 meter rond het kerkhof, aangezien er in Hoogwoud en Aartswoud nog geen raadhuis was.

Kerk en Raadhuis

Ondanks de onderwerping van de Westfriezen, legden de graven van Holland hen slechts een lichte belasting op. Hoogwoud en Aartswoud vormden samen een 'vrije stad'. Toch namen de Westfriezen in 1426 weer de wapens op tegen gravin Jacoba van Beieren maar ook toen delfden ze het onderspit. Jacoba besloot toen om een einde maken aan de bevoorrechte positie van Hoogwoud en Aartswoud. Het gebied viel voortaan niet meer direct onder de graaf van Holland, maar het werd een heerlijkheid die verkocht kon worden.

Hoogwoud en Aartswoud werden in 1429 in leen gegeven aan Eduard de Bastaard, een bastaardbroer van Jacoba. Hij stelde een schout aan als zijn vertegenwoordiger. De schout was voorzitter en secretaris van het dorpsbestuur. Hij kon zo mooi aan de ambachtsheer rapporteren wat er in het dorp gebeurde. Verder had de schout directe invloed op de keuze van de dorpsschepenen.

Aangezien er nog steeds geen raadhuis was, spraken de schepenen nog steeds recht vlak bij de kerk. Het belang van deze kerk blijkt ook uit het feit dat de documenten met heerlijkheidsrechten tot in de 16de eeuw daar bewaard werden. Een kerk was er zeer waarschijnlijk al in de 13e eeuw terwijl het raadhuis na 1450 moet zijn gebouwd. Op 29 maart 1450 verleende Eduard den Bastaard, heer van Hoogwoude, stadsrechten aan Hoogwoud. Deze stad en heerlijkheid bestond uit de twee burgerlijke gemeenten Hoogwoud en Aartswoud, waarvan het grondgebied destijds samenviel met de gelijknamige twee kerkelijke gemeenten ofwel parochies. In artikel 5 van zijn handvest liet hij opnemen
deel 1deel 3
Hoe het vroeger was
Deze publicatie is uitverkocht!
 
Stichting Hoochhoutwout