| met de Westfriezen. Uiteindelijk gaven zij zich over.
In 1289 ondertekenden de vertegenwoordigers van het Houtwouder ambacht
(Hoogwoud, Sijbekarspel, etc.) een akte van onderwerping in het kasteel
Torenburg vlakbij Alkmaar.
De Heren en de Belasting Om de Westfriezen definitief onder
controle te houden liet Floris vijf kastelen bouwen. Deze verrezen o.a. bij
Medemblik en Warmenhuizen. Verder stelde hij in Medemblik een baljuw aan die
invloed kreeg in Hoogwoud en Aartswoud. Verder werden in de dorpen schouten
aangesteld, die de leiding hadden over het dorpsbestuur, dat bestond uit
schepenen.
Baljuw en schout gingen op de eerste plaats belasting heffen.
De oorlog had handen vol geld gekost en Floris wilde dit natuurlijk terugzien.
Daarom werd de opbrengst van het land belast met het 'korentiende' en het
'vlastiende'. De boeren moesten voortaan een tiende deel van hun graan en vlas
afdragen aan de graaf. Verder moesten de kerken in Westfriesland de door hun
ontvangen giften aan de graaf afdragen en niet meer aan de bisschop van Utrecht
of de abt van Egmond. Baljuw en schout gingen ook recht spreken over de
Westfriezen. Moord en diefstal werden bestraft met allerlei boetes, die
natuurlijk gedeeltelijk in de schatkist van de graaf belandden. De baljuw
berechtte de zware vergrijpen, terwijl lichte vergrijpen voor de schout en de
schepenen kwamen. Het was dus gedaan met de gewoonte van de dorpsschepenen om
zelf recht te spreken. Rechtspraak gebeurde trouwens in een straal van een
kleine 20 meter rond het kerkhof, aangezien er in Hoogwoud en Aartswoud nog geen
raadhuis was. |
Kerk en Raadhuis Ondanks de onderwerping van de Westfriezen,
legden de graven van Holland hen slechts een lichte belasting op. Hoogwoud en
Aartswoud vormden samen een 'vrije stad'. Toch namen de Westfriezen in 1426 weer
de wapens op tegen gravin Jacoba van Beieren maar ook toen delfden ze het
onderspit. Jacoba besloot toen om een einde maken aan de bevoorrechte positie
van Hoogwoud en Aartswoud. Het gebied viel voortaan niet meer direct onder de
graaf van Holland, maar het werd een heerlijkheid die verkocht kon worden.
Hoogwoud en Aartswoud werden in 1429 in leen gegeven aan Eduard de
Bastaard, een bastaardbroer van Jacoba. Hij stelde een schout aan als zijn
vertegenwoordiger. De schout was voorzitter en secretaris van het dorpsbestuur.
Hij kon zo mooi aan de ambachtsheer rapporteren wat er in het dorp gebeurde.
Verder had de schout directe invloed op de keuze van de dorpsschepenen.
Aangezien er nog steeds geen raadhuis was, spraken de schepenen nog
steeds recht vlak bij de kerk. Het belang van deze kerk blijkt ook uit het feit
dat de documenten met heerlijkheidsrechten tot in de 16de eeuw daar bewaard
werden. Een kerk was er zeer waarschijnlijk al in de 13e eeuw terwijl het
raadhuis na 1450 moet zijn gebouwd. Op 29 maart 1450 verleende Eduard den
Bastaard, heer van Hoogwoude, stadsrechten aan Hoogwoud. Deze stad en
heerlijkheid bestond uit de twee burgerlijke gemeenten Hoogwoud en Aartswoud,
waarvan het grondgebied destijds samenviel met de gelijknamige twee kerkelijke
gemeenten ofwel parochies. In artikel 5 van zijn handvest liet hij opnemen
 |